17 december 2021
Kuurne

Beste Hans,

Enige tijd terug zagen we elkaar op de opening van een groepsexpo in Otegem. Even waren de mondmaskers uit het straatbeeld verdwenen. Hadden we geen Covid-Safe-Ticket nodig om een evenement bij te wonen. We zijn enkele maanden later en de samenleving lijkt opnieuw op slot te gaan. Gelukkig zijn er nog musea. Want expo’s die mogen nog steeds doorgaan.

Tijdens die late nazomeravond sprak ik je al even over ‘De Windstoot’, de artistieke expeditie van kunstencentrum vzw Wit.h. Om de twee maand verschijnt er een digitaal magazine bij de tussentijdse tentoonstellingen. In januari opent de expo met werk van Marianne Schipaanboord, een Nederlandse kunstenaar die niet spreken kan. Ze communiceert via het geschreven woord en haar beeldend werk. Hierdoor krijgt haar werk een sterk autobiografisch karakter. Dat is meteen ook het thema van ons volgend digitale magazine, kunst en autobiografie.

Bij dit thema moet ik meteen denken aan schilders en hun zelfportretten. Een bijzonder intrigerend medium, waarbij het autobiografische aspect één op één aanwezig is. Sommige mensen stellen dat het zelfportret van een grote ijdelheid getuigt. Dat de kunstenaar egocentrisch is en zichzelf heel wat moet vinden om te besluiten zichzelf op doek te schilderen. Terwijl het voor mij eerder van een grote moed getuigt. Je wordt als schilder continu met je eigen persoon geconfronteerd. Je ziet je eigen tekorten. De onzekerheid. Zelden gaat het om de persoon die je uiterlijk in de spiegel ziet.

Ook jij laat je onmiddellijke omgeving jouw werk binnen treden, niet alleen door jezelf te portretteren maar ook je naasten. Soms op een heel directe wijze, zoals de serie die je in 2017 schilderde over het gewone leven en je vrouw Christina, of het zelfportret met jouw dochter. Dan weer op subtiele wijze zoals het schilderij met de witte tuinstoel van je moeder of de serre van je vader. Zonder de titel lijkt de witte tuinstoel een willekeurig object, maar door de titel My Mother’s Chair wordt de stoel veel substantiëler. Ik word als kijker meteen geprikkeld, en stel mezelf meteen de vraag hoe de stoel van mijn moeder eruit zou zien.

Waar komt jouw drijfveer vandaan om autobiografische elementen in je oeuvre te verwerken?

Hartelijke groet,

Thomas

Gent
23 december 2021

Beste Thomas,

Je vraagt me naar mijn drijfveer om autobiografische elementen te verwerken in mijn oeuvre.

Als kind tekende ik al op vroege leeftijd wat ik om me heen zag: schansspringers die op nieuwjaardag in Garmisch Partenkirchen over de bergen zweefden, Eddy Merckx op zijn fiets, de schilderijen die ik als kleuter in musea zag. Maar ook tekende ik verhalen die ik las: heldenverhalen, gulden- en andere sporenslagen met paarden en veel bloed, zwaarden en doorboorde tepels van Griekse helden. Ik was nog geen twaalf jaar oud toen ik het zeker wist : ik word kunstenaar.

Het is geen beroep dat je leert zoals bakker, schoenmaker, fietshersteller of bankier.  In het kunstminnend milieu waarin ik opgroeide was het losbladige abonnement op Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, mijn eerste kennismaking met de Vlaamse primitieven en de schilders van de Latemse School. Niet zozeer wat ze schilderden maar eerder het geheim van het beeld fascineerde me. De magie van het zienerschap.

Dat hiervoor geen academische opleiding bestaat, met alle respect voor de kunstscholen, daar was ik van overtuigd. Verwondering over het leven en het beleven leer je niet aan maar is een aangeboren deel van de persoonlijkheid. Al vroeg had ik door dat ik als kunstenaar, me niet zou bemoeien met politieke statements, me niet zou inlaten met schilderijen over de actualiteit. Stel je voor een schilderij over de pandemie of over antivaxers. Ik wilde een eigenzinnige secundaire wereld scheppen die evenwijdig liep met mijn eigen persoonlijk beleefde autobiografische wereld.

Hoe ik er toe kwam?

In 1997 was ik op een dood punt in mijn kunstenaarschap gekomen, verstrikt in conceptualisering. De schok van het overlijden van mijn peter, zelfstandig tuinman die in zelfgebouwde serres groenten kweekte, een kleine boomgaard verzorgde met inheemse appel-, peren- en pruimensoorten, een ren scharrelkippen verzorgde en konijnen kweekte voor vel en vlees was een keerpunt. Deze kinderloze man was gebouwd uit één stuk zoals ze in de streek van de Lampetten, Ingelmunster, durven te zeggen. Sober voor zichzelf en zijn vrouw, gul voor zijn familie, kort geblokt, dicht bij de aarde. Een man bij wie het bewuste en onderbewuste denken nauw verweven was. Zijn plotse dood schudde me als kunstenaar, verdoofd door pentomino’s en Dürer’s Melencolia, overweldigd door kwadranten en magische vierkanten, wakker.

Het overlijden van Peter Raf viel samen met een verblijf in Dungeness. Een landschap in Zuid-Engeland waar langs de kust een kerncentrale tussen twee vuurtorens staat en waar de avant-garde cineast Derek Jarman, als aidslijder, zich had teruggetrokken om zijn laatste dagen door te brengen en er een tuin aan te leggen. Ik ontdekte er de horizon en met de horizon ook de verdieping, de herinneringen die ik als schat bij me droeg. Het omen om de wereld te kunnen herbetoveren lag in de tuin die de stervende Jarman in het onvruchtbare, zilte landschap had aangelegd.

Ik ontdekte in de natuur een levensgevoel dat ik ook in de werken van Schopenhauer en Hesse tegenkom. Het is een houding tegenover het leven die niet oordeelt en beoordeelt, maar alles neemt zoals het is met zijn mooie en lelijke kanten. We moeten de natuur niet alleen vruchtbaar of bruikbaar, maar ook mooi vinden, maar weer niet alleen maar mooi, maar ook ondoorgrondelijk en boven mooi en lelijk verheven. Belangeloos kijken en beschouwen, inademen en wat we opnemen verwerken. Dit inzicht kreeg ik daar in Dungeness.

Stilaan keek ik persoonlijk naar de wereld: naar de menselijke figuur (mezelf, mijn vrouw Christina, mijn kinderen, mijn moeder, mijn vader), naar de natuur die ik bewandelde en liet de culturele elementen waar ik affectie kon voor tonen toe als motief in mijn schilderijen : de films die ik zag (Tarkovsky, Kubrick, …), de schilderkunst waar ik van hou (Friedrich, Bonnard, Matisse, O’Keefe, …) ,  de boeken die ik las (Beckett, Powers, Hesse, …).

Het werkt voor mij bevrijdend om autobiografische elementen te verwerken in mijn schilderijen. Zo schilderde ik laatst ‘My Father’s Birds’ (2021).  Het zijn herinneringen aan de vogelvoerderbakjes die ik vanuit de woonkamer kon zien in het huis waar ik opgroeide. Mijn vader had het huis helemaal zelf gebouwd. De inrichting van de woning was geïnspireerd op het werk van Piet Mondriaan. Het was een huis met grote ramen en een veranda  die de woonkamer verbond met de omliggende tuin.  De vogelvoederbakjes stonden vlak bij het grote raam.  Afhankelijk van het vogelvoer, nu eens voor mezen, dan weer voor mussen,  roodborstjes, appelvinken, Tjiftjafs, bonte vliegenvangers, ….kwamen verschillende vogels die ik  als kind van dichtbij kon bekijken.  De herinnering aan dat raam en de vogeltjes worden al schilderend verbonden met het heden tot een staand nu.

Voor een ander project in bundelde ik mijn wandelingen in landschappen waar filosofen hadden gewoond. Toen ik enkele jaren geleden filosoof Dieter Roelstraete ontmoette schreef hij  een essay over de ‘Hiëronymus’ figuur in mijn werk. We  hadden we een intens gesprek over de parallellen tussen mijn geschilderde serres en de denkplaatsen van enkele filosofen en dichters die , het was geen toeval, me eveneens fascineerden: Goethe, Nietzsche, Heidegger, Wittgenstein, Rimbaud …

De ‘filosofische hutten’ waar Roelstraete naar verwees kende ik wel maar ik zou ze ook gaandeweg, in de loop der jaren gaan bezoeken, telkens opnieuw weer. Niets is immers heerlijker als ontsnapping uit het schildersatelier dan lange wandelingen in de natuur met sensuele ervaringen, opgeladen door geschiedenis, romans en biografieën.

Met de titel van het schilderij ‘Friedrich’s Trees’  bijvoorbeeld verwijs ik naar één van mijn gidsen, Friedrich Nietzsche, de filosoof waarover ik veel las, wiens biografieën ik doornam, wiens leefwereld ik probeerde te benaderen, letterlijk dan.

Door te wandelen in de omgeving  waar de filosoof verbleef kon ik  nadenken over de wereld en haar landschap. Het liet me toe om beelden te verzamelen die ik wilde schilderen. Mentale landschappen gecomponeerd met zowel elementen uit de werkelijkheid als uit mijn opgeladen verbeelding.

Doordat het leven vordert worden de autobiografische motieven me alsmaar dierbaarder. Ze staan dicht bij mijn leven en laten me een kwetsbaarheid toe in deze verharde kunstwereld.

En vooral : ze verbinden al mijn ervaringen en sensaties tot een nieuwe en definitieve weefwereld die de bestaande wereld herbetovert.

met oprechte groet,

Hans Vandekerckhove

 

4 januari 2022
Kuurne

Beste Hans,

Sommigen zeggen dat schilderen een ambacht is. Al kan ik hen daar niet volledig in bijtreden. Kunstenaars zijn geen ambachtsmannen pur sang, net zoals jij aanhaalt in je brief. Ze hebben lak aan de schoonheidsregels van technieken. Ze zetten ze naar hun hand, zodat ze een verhaal kunnen vertellen zoals zij dat willen. Kunst gaat voorbij het ambacht. Dat bewijzen voor mij ook de crip kunstenaars.

Sta me toe om crip even toe te lichten. Het gaat hierbij over mensen met lichamelijke, sensorische en/of cognitieve beperking, met psychiatrische kwetsbaarheden, met chronische ziekten als mensen waarvan het lichaam niet in een diagnostisch hokje past. De term kent geen vastomlijnde grenzen en is veranderlijk. Deze kunstenaars hebben vaak ook geen opleiding genoten, maar maken volgens mij puur werk. Werk dat vaak ontdaan is van normatieve regels die gelden binnen de reguliere kunstwereld.

Mijn vriendin en ik hebben het hier vaak over. Zou het werk van crip kunstenaars anders bekeken worden, mochten ze een academische opleiding genoten hebben? Jij hebt natuurlijk al een staat van dienst, waarbij het niet meer van belang is of je al dan niet geschoold bent als kunstenaar. Toch heeft dit een rol gespeeld in het begin van je schilderscarrière? Heb je meer moeten vechten voor je plek als kunstenaar dan andere tijdsgenoten die wel een diploma als kunstenaar hebben?

Ik dwaal te ver af. Terug naar kunst en autobiografie. Het valt me op hoe je schrijft dat je al snel door had dat je een eigen secundaire wereld wou scheppen die parallel loopt met je eigen autobiografische wereld. Dat je bewust wegblijft van politieke statements en de actualiteit. Terwijl ik in je werk een bijzonder actueel probleem terugvind, met name hoe we omgaan met de natuur. Een groot deel van de mensheid ziet de natuur als een product, die we zo efficiënt en productief mogelijk naar onze hand moeten zetten. We verheven onszelf boven de natuur.

Na het lezen van je brief opende ik meteen jouw website. Keek opnieuw naar de kunstwerken die ik kende, nu door een andere bril. Vroeger dacht ik bij de serres voornamelijk aan de verstilling die je in de natuur kan terugvinden. Vandaag denk ik nog steeds aan dat eerste, maar ook aan jouw peter Raf. Aan hoe zijn dood een grote invloed had op wie je nu bent als kunstenaar. De werken kregen een extra gelaagdheid voor mij.

In welke mate vind jij het als kunstenaar belangrijk dat mensen de achtergrond van je werken kennen? Moet de kijker weten dat My Father’s Birds een herinnering is aan de vogelvoederbakjes van jouw ouderlijk huis, of is dat van ondergeschikt belang aan het werk op zich?

Opvallend dat met het ouder worden autobiografische motieven aan belang winnen. Bij schrijvers zie je dat ook vaak terugkomen. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog beschouwde Stijn Streuvels zijn literaire oeuvre als voltooid. Vanaf dan zou hij zich wijden aan het schrijven van zijn mémoires, een boek over zijn moeders familie, Gezelle. Het was voor hem een manier om het verleden vast te houden.

Hartelijke groet,
Thomas

 

Gent
zondag 9 januari 2022

Beste Thomas,

Het siert je dat je je bezint over de vraag of een zwakzinnige, geestesgestoorde, zieke een graad van zuiverheid in zich heeft en door workshops of therapie tot een beeldtaal komt die kan ontroeren. Ieder mens, zolang hij maar leeft en de natuur niet tegenwerkt is wonderbaarlijk en alle aandacht waard. Daar ben ik het mee eens.  Maar of creativiteit en kunstenaarschap van elkaar verschillen, daar kan volgens mij geen twijfel over bestaan.

Iedereen kan creatief zijn in koken, in sport, in therapie. Het kunstenaarschap echter is eerder een roeping, een bestemming, een manier van leven waarbij scholing hoogstens techniek kan bijbrengen. Als kunstenaar moet je immers leren omgaan met angsten en onzekerheden, leren standvastig te leven volgens eigen inzichten, volgens je innerlijke wereld die soms haaks staat tegenover de noden en wetmatigheden van de sociale of economische werkelijkheid.  Als hoofd van een gezin met twee kinderen heb ik er nooit aan gedacht om me te laten ompraten het kunstenaarschap  in te ruilen voor een comfortabeler en burgerlijk bestaan.  Maar ik geef toe dat een vorming in een kunstschool mij wel beter had kunnen voorbereiden om met gelijkgestemden om te gaan. De kunstschool biedt een spectrum aan  mogelijkheden om je als jonge kunstenaar in het kunstmilieu te betrekken, vriendschappen aan te knopen met kunststudenten, van gedachten te wisselen over de prachtige erfenis van de kunstgeschiedenis. Doordat ik alleen kon terugvallen op een academische vorming als kunsthistoricus was het gevecht om een plaatsje in de kunstwereld te veroveren minder vanzelfsprekend. Pas laat, toen ik 25 jaar oud was, kon ik ingaan op mijn eerste uitnodiging om tentoon te stellen.

Terug naar kunst en autobiografie, het uitgangspunt van onze briefwisseling. Het spreekt voor zich dat ik de natuur, de bomen die ik schilder, benader als motieven die een persoonlijkheid hebben en leun zo aan bij de ecologische maatschappelijke onderstroom. Maar is het koesteren van de broze aarde geen bezorgdheid van alle tijden? Was niet één van de beroemdste vaandeldragers van het ecologisch gedachtengoed, Franciscus van Assisi,  die in 12de eeuw leefde, een influencer met vele volgelingen? Het is echter niet zozeer het ontzag voor de macht van de natuur waardoor ik me laat inspireren maar eerder de betrokkenheid om ecologie te zien als een soort esthetiek. Ethiek zowel als ecologie hebben een esthetische basis nodig om aanvaardbaar te zijn. Kunst kan niet direct aanzetten tot een betere levenshouding maar zal wel vertroosten door haar schoonheid.

Nee, iemand die geïnteresseerd is in mijn werk hoeft niet noodzakelijk een  diepere kennis te hebben van mijn biografische gegevens omdat het bronmateriaal de voor mij emotionele aanzet en drijfkracht is tot het bouwen van een secundaire wereld die ik wil communiceren.  De (auto)biografie is vooral voor schrijvers, filosofen of voor politici van belang omdat autobiografie en biografie per definitie nauw verbonden is met schrijven, o.a. brieven. Daarom is de biografie van Vincent Van Gogh wel interessant omdat hij zo’n uitvoerige correspondentie naliet.

Voor mij zijn de autobiografische elementen in mijn schilderijen eerder een zoektocht naar de origine  of zoals TS Eliot zo krachtig samenvat: ‘We shall not cease from exploration, and the end of all our exploring will be to arrive where we started and know the place for the first time’.

met oprechte groet,

Hans Vandekerckhove

met ouder worden winnen autobiografische motieven aan belang

Deze website maakt gebruik van cookies. Door op ‘accepteren’ te klikken, ga je akkoord met ons privacybeleid.